't Was me het treinreisje wel!


Toen Kris vanuit zijn warme woning op straat kwam, omarmde de vorst hem. Koel als de dood. Maanlicht flikkerde op het ijs in de straatgoot. Kris vloekte. Snellopen op glad ijs is levensgevaarlijk. En Kris was zoals meestal laat om de trein op tijd te halen ...

Hij haalde de trein. Hijgend liep hij langs de zitbanken op zoek naar een vrije hoekplaats. Een reiziger keek op en mompelde tegen zijn overbuurvrouw:

« Als je die ziet, mag je zeker zijn dat de trein seffens vertrekken zal! »

En warempel op hetzelfde ogenblik voelde Kris een schok in de benen. Hij wankelde even en de trein vertrok. Bomvol die trein. Een geroezemoes van gedempte stemmen. De meeste reizigers hielden zich met verveeld gezicht onledig. Krantje lezen. Kaartje leggen.
Kris vond een vrije hoekplaats; hing zijn mantel aan de haak, ging neerzitten en zuchtte.

« Zwaar die maandagen hé? » merkte zijn overbuurman op.

« … »

« Jij treint ook al een poosje mee hé? Laat es kijke — Anderhalf jaar? »

« Twee jaar! »

« Van mij negen jaar … Heb jou al een hele tijd in de mot … Sorry … De naam is Hein. »

« Kris. »

« Negen jaar trein. Heb het gisteren nog uitgerekend. Pendelen tussen Oostende en Brussel. Elke dag 250 kilometer heen en weer. Neem 200 werkdagen. Maakt in negen jaar: 450000 kilometer. Afstand naar de Maan is 400000 kilometer. Ben reeds een jaar lang op de terugweg! »

« Onvoorstelbaar! En naar de Zon? »

« Binnen 21 jaar sta ik op de Zon. Toevallig ga ik dan ook met pensioen. Zei zaterdag nog tegen mijn broer: "Wou dat ik overmorgen reeds met pensioen mocht gaan!" "En wat zou je dan wel doen?" vroeg mijn broer, je zou je rot vervelen!" … Weet je wat ik zou doen? »

« Met minitreintjes spelen? » vroeg Kris lachend.

« NEI! IK ZOU TREINSABOTEUR WORDEN! RAILS EN TREINEN OPBLAZEN! »

Het geroezemoes in de treinwagen hield plots op. Het werd heel stil. Een paar kranten en kaarten gleden ritselend op de grond. 'k Ben weeral es op een treingenootje gevallen! dacht Kris bij zichzelf. Hij vleide zijn hoofd tegen de metalen wand en verborg het verlegen gelaat achter zijn mantel.
Aanvankelijk was het donker voor zijn ogen. Maar plots stond daar in helder licht het Sprookjeshuis. Eigenlijk meer een kasteel met torentjes en kantelen.

« Wow! Wat een mooi huis, had hij tegen Dan geroepen toen hij de woning voor het eerst door het raam van de voorbij rijdende trein opmerkte. »

« Lijkt me eerder kitscherig! »

« Misschien … maar misschien ook dat echt geluk altijd kitscherig is … »

Kris voelde een hand op zijn schouder en werd wakker. De treinwachter. Hij greep naar zijn abonnement en toonde die. Waarom maakt ie me wakker? Kent me toch al maandenlang! Vooraleer terug in slaap te sukkelen, zag hij dat Hein verdwenen was.

Alle voorbijgangers hadden een doodskopmasker op. Bij een antieke straatlantaarn stond een in het wit geklede vrouw. Haar lippen waren blauw. Ze stak haar hand uit naar Kris en wenkte.

« Kom! » zei ze

« Later … »

« Later is nooit te laat, » zei de vrouw vooraleer in de menigte te verdwijnen.

Hij hoorde een stoomtrein fluiten ... Slaperig keek hij rond. Alle medereizigers waren verdwenen. Door het raam zag hij hoe de trein stilstond bij een landweg die naar het Sprookjeshuis leidde.
Toen Kris uit de warme trein stapte, omarmde de vorst hem. Koel als de dood. Maanlicht flikkerde op het ijs in een sloot. Langzaam liep hij naar het huis toe. De deur stond open en Kris stapte aarzelend naar binnen. Hij kwam in een grote zaal terecht. Op een enorme tafel stond een berglandschap. Boompjes, woninkjes, viaduucjes, stationnetjes. En in dat landschapje reden wel honderd speelgoedtreintjes.

« Zoals je ziet, heb ik geen woord gehouden. »

In het deurgat stond Hein … Oud geworden.

« Geen treinsaboteur geworden? » vroeg Kris.

« Nei! Integendeel. Nu verzamel ik treinen. Heb een mooi exemplaar in de lochting staan. »

Kris volgde Hein naar de hof. In de tuin stond een trein. Modern geweest in de jaren 1850. Hein klom in de locomotief en Kris volgde hem. Fluitend kwam de trein in beweging ...

De trein stopte bij een klein stationnetje.

TERMINUS

Op het perron stond een in het wit geklede dame. Haar lippen waren blauw.

« Lijkt wel een doodsengel? » zei Kris.

De ogen van Hein werden zacht als die van een medelijdende moeder. Met tedere stem zei hij:

« Misschien dat je dat seffens zult beseffen, mijn jongen, of ook juist niet … meer … »


© Gilbert Voeten 2002

Terug naar Verhalen